Visserstruien

De visser kleedde zich warm. Als onderkleding droeg men een lange onderbroek en een lang gemouwd hemd met daarover een hemd van blauw of rood baai. Daaroverheen een wollen gebreide borstrok en een wollen, vaak blauwe, trui. Dan een lange broek en twee paar wollen kousen. Vissers droegen een muts, een pet of een andere hoofdbedekking. De aanschaf van al deze kleding was niet goedkoop dus droegen de vissers de kleding helemaal af. Daarmee verminderde de kwaliteit en bood deze steeds minder warmte. Als afsluiting droeg men tijdens het werk nog oliegoed.
Oliegoed
Het gebruik bij Nederlandse vissers om truien als bovenkleding te dragen, is terug te voeren tot circa 1860. De truien werden thuis gebreid. Ook kon men machinaal vervaardigde truien kopen. Truien van Nederlandse vissers waren herkenbaar aan de combinaties van ingebreide motieven. Iedere haven had zijn eigen motieven. De kleur was bijna altijd zwart of blauw. In veel gevallen was het mogelijk een verdronken visser aan de hand van motieven op zijn trui te identificeren, zelfs na langdurig verblijf in het water.

Voor de truien gebruikte men sajet; een zuiver wollen garen gemaakt van schapenwol. Het was een materiaal waar iedereen mee bekend was. Kousen, sokken, ondergoed en truien werden hiervan gemaakt. Het was goedkoop en overal te koop. Na de Tweede Wereldoorlog verdween dit woltype en kwamen synthetische garens op.

Selectie van motieven gebruikt in visserstruien:
Godsoog

Een oud motief dat in veel culturen voorkomt. Het Godsoog ziet alles. In truien van Pernis en Urk kwam dit motief voor. In IJmuiden gaf men er ook wel een andere betekenis aan. Dat oog zou ervoor zorgen dat de mannen zich in vreemde havens netjes gedragen.

Vlaggetjes

Komt voor in truien van Urk en Scheveningen. Vlaggen waren erg belangrijk in de visserij. Daar communiceerden men mee.

Golven

Symboliseren de golven van de zee en komen in vele variaties voor. Ze werden vooral in Vlaardingse truien gebruikt.