De VL213 Theodoor
Het verloren gaan van de zeillogger VL213 Theodoor in de stormnacht van 9 op 10 oktober 1926 op de Noordzee. Tekst afkomstig van een christelijke kalender, 1968.
Gode alleen de eer
Een vreselijke storm had ook de Vlaardingen 213, waarop Jacob v.d. Toorn schipper was, aangegrepen. Om 1 uur ’s nachts scheen men het ergste geleden te hebben. Enige mannen gingen naar beneden; drie matrozen en de schipper bleven op wacht. De matrozen vonden het echter niet nodig dat de schipper bleef en zeiden, dat hij ook wel een poosje omlaag kon gaan. Als het nodig was, zouden ze wel roepen. En juist toen schipper J. v.d. Toorn omlaag wilde gaan, kwam er een geweldige stormzee aan. Hij kon niets grijpen om zich vast te houden. Hij werd overboord geworpen, hield zich ergens aan vast, en werd later weer door de stuurman op het dek gehesen. Toen hij naar beneden wilde gaan om droge kleren aan te trekken, merkte hij dat zijn been gebroken was. Men wist niets beters te doen dan hem op een kist te leggen. Om drie uur hielp men hem naar beneden. Dadelijk daarop –de storm was zeer vreselijk geworden- kwamen de schepelingen om de zwemvesten. Maar tegen de schipper riepen ze: ’t Helpt allemaal niets meer, ook al brengen we u naar boven!’. Wat zou v.d. Toorn beginnen? Hij klauterde, niettegenstaande zijn gebroken been, naar het dek, schoof toen achteruit naar de verschansing, en liet zich daarvan in zee vallen. En zo, in het water liggend, zag hij zijn schip wegzinken. Hij greep een luik, maar het was te groot; hij raakte er onder. Weer liet hij los. Daarna greep hij een losgeslagen pomp, sloeg er ene arm om heen en kreeg steun. Aan de andere kant kwam een breel aandrijven. Ook dat greep hij, en hij zag met een hand en de mond kans om het touw, dat er aanzat, in te vademen, en daarna vier keer om de pomp te slaan. Toen drukte hij met zijn gezonde knie het touw omlaag en had nu van breel en pomp voldoende drijfmogelijkheid. Naast hem merkte v.d. Toorn nu een jonge man in zwemvest. Een spoedig daarop zag hij een andere matroos. Beiden grepen pomp en breel vast. En zo bleef het drietal enige uren drijven, steeds met de dood voor ogen. En de beide matrozen gaven eindelijk de moed op; v.d. Toorn echter hield vast, totdat een Duitse stoomtrawler hem opmerkte en redde.
Dat is het eenvoudige en onopgesmukte verhaal van de redding. Maar toen nu de bladen gingen spreken over de sterke man, over zijn heldenmoed, over zijn kranig gedrag, daar hij zo goed bij zijn positieven bleef en tot het schier bovenmenselijke in staat bleek, merkte v.d. Toorn, die in Engeland in een ziekenhuis lag, op, dat alleen Gode de eer toekomt. “Toen ik daar zo lag”, zei de schipper, “riep ik uit: Ik lig gekneld in banden van de dood, want wie o God, kan de dood dichter onder de ogen zien; maar mijn hoop is op U alleen! En toen deed God, wat bij mensen onmogelijk was. Hij redde mij wonderbaarlijk. God gaf kracht om te denken, te handelen, uit te houden. Hij spaarde en hielp mij. Hem alleen zij de eer”.